Examen toelichting

Alle jeugdjudoka’s tot 12 jaar vallen in het jeugdreglement en kunnen elk jaar 2 keer examen doen.

Judoka’s boven de 12 jaar worden door hun leraar uitgenodigd. De kosten hiervoor bedragen €2,50 (het liefst vooraf te voldoen bij Mevr. Nel in de judokantine).

Iedereen doet in zijn eigen lesuur-examen en de paar judoka’s van 12 jaar en ouder horen dat persoonlijk, waar die hun judokennis kunnen laten zien.

Wel eens gehoord van een voetbal-examen, of een hockey-examen. Nee hè… examens kennen ze niet bij deze sporten. Bij judo bestaat dat wel… daar doe je wel examens voor.

Als je op judo zit, dan doe je meestal 2 keer per jaar examen. Je kunt steeds laten zien wat je allemaal in de judoles bijgeleerd hebt. Vaak komen dan ook vaders en moeders kijken. Dat maakt het allemaal best een beetje spannend, maar wel hartstikke leuk.

In deze toelichting kun je lezen wat je allemaal moet weten voor het judo-examen.

Dit artikel is speciaal geschreven voor de jeugdjudoka’s, maar het is ook prima te gebruiken door oudere kinderen en door volwassenen. Zij moeten alleen iets sneller al armklemmen, verwurgingen en offerworpen laten zien.

Je merkt het al, niet iedereen moet altijd precies hetzelfde weten voor het examen. Sommige kinderen gaan al op judo als ze 3, of 4 jaar zijn, andere kinderen beginnen als ze wat ouder zijn.

Je snapt natuurlijk dat een jongen of meisje van 4 jaar voor het eerste examen wat minder hoeft te weten dan een jongen of meisje van 10, of 11 jaar. Als je wedstrijdjudoka bent moet je meer extra dingen laten zien bij je examen. Het is daarom belangrijk dat je aan jouw judoleraar vraagt wat je moet kunnen voor het examen.

Op het judo-examen worden aan jou dingen gevraagd, die je dan zo goed mogelijk moet laten zien. Soms zal het je eigen judoleraar zijn, die aan jou die vragen stelt, soms is dat een andere judoleraar. De judoleraar die jou dingen vraagt, gaat niet op zoek naar dingen die jij niet, of niet zo goed kunt. Hij of zij wil vooral weten wat jij wèl goed kunt. Je moet op het examen dus vooral die dingen laten zien die je in de les goed hebt geoefend en waar je dus goed in bent.

Met een judo-examen kun je meestal een slip of soms zelfs een hele nieuwe band halen. Hoe donkerder de kleur van de slip of band waarvoor je examen doet, hoe meer je moet weten.

Iedereen die met judo begint, klein en groot, begint met de witte band. Voordat je examen mag doen voor de zwarte band zijn er heel wat kleurtjes te gaan.

Witte band + gele slip + oranje slip + groene slip + blauwe slip + bruine slip
Gele band + oranje slip + groene slip + blauwe slip + bruine slip
Oranje band + groene slip + blauwe slip + bruine slip
Groene band + blauwe slip + bruine slip
Blauwe band + bruine slip
Bruine band
Zwarte band

Een enkele keer komt het voor, dat een judoka een slip overslaat. De judoleraar heeft al in de les gezien dat een judoka alles heel goed doet. Op het examen wordt deze judoka dan goed in de gaten gehouden. Als deze judoka een heel goed examen doet, dan zal deze judoka misschien een extra slip verdienen.

Voor elk examen moet je heel goed oefenen, zodat je op het examen goed kunt laten zien wat je allemaal in de les hebt geleerd. Na het examen krijg je – als je tenminste geslaagd bent – de nieuwe slip of als je een nieuwe band hebt gehaald: een diploma. Ook kun je jouw graduatie laten vastleggen in het Judopaspoort, die je kunt aanvragen via een invul-kaart of via www.jbn.nl.

Een nieuwe band in verschillende maten & diktes, kun je in de judokantine kopen

Waar kijken we naar:

  • Hoe jouw inzet is tijdens de lessen.
  • Hoe vaak je aanwezig bent.

Het valbreken is heel belangrijk bij judo. Wie niet goed kan vallen, kan nooit een goede judoka worden. Op het examen moet je laten zien dat je goed achterwaarts en zijwaarts kunt valbreken. Ook moet je een mooie judorol kunnen maken.

Er zijn heel veel verschillende worpen bij het judo. Er zijn beenworpen, heupworpen, schouderworpen, armworpen en offerworpen. Hoe donkerder de kleur van de band of slip waarvoor je examen doet, hoe meer worpen je moet kunnen laten zien.

Het belangrijkste van een houdgreep is dat je de ander zo goed vasthoudt dat hij of zij er niet uit kan komen. Probeer dus ook als je verschillende houdgrepen laat zien, zonder los te laten van de ene naar de andere houdgreep te gaan. Dat valt best tegen als je vriendje die onder ligt goed tegenstribbelt.

Probeer het maar eens bij een wedstrijdje tijdens de les.

Kanteltechnieken zijn heel belangrijk bij het judoën op de grond. Daarom moet je vanaf de groene slip iemand op een handige manier zo kunnen omdraaien dat je hem of haar daarna met een houdgreep vast kunt houden.

Dus als je een kanteltechniek moet laten zien op het examen, probeer dan direct na de kanteling je vriendje in een houdgreep vast te krijgen.

Je kunt bijvoorbeeld iemand omkantelen die op zijn handen en knieën zit (bokje), of iemand die op de buik ligt, of iemand omkantelen waarbij jezelf op de rug ligt en de ander tussen je knieën zit. Posities noemen ze dat.

Hoe donkerder de kleur van de band of slip waarvoor je examen doet, hoe meer kanteltechnieken uit verschillende posities je moet kunnen maken. Al de dingen die je in de les hebt geleerd, moet je natuurlijk ook in een wedstrijdje proberen.

Een wedstrijdje maken alleen staand noemen de Japanners randori tachi-waza. Een wedstrijdje op de grond heet ook wel randori ne-waza. Hoe meer je aan wedstrijdjes meedoet, hoe beter je wordt.

Het kan gebeuren dat je op het examen, nadat je alles zo goed mogelijk hebt laten zien, nog een paar vragen moet beantwoorden. Dat kunnen bijvoorbeeld vragen zijn over die gekke Japanse woorden, of over de judo-etiquette, of over wedstrijdregeltjes. Dit heet algemene judokennis.

Weet je dat je alle worpen en houdgrepen die je leert op 2 manieren kunt doen? Heb je een worp wel eens eerst over rechts en toen over links geprobeerd? In het begin hoef je dat nog niet gelijk te kunnen hoor. Maar oefen het wel in de les. Na de gele band moet je het ook steeds meer op het examen kunnen laten zien.

Heb je wel eens een voetballer gezien die op 1 plaats blijft staan en dan gaat wachten tot hij de bal krijgt? Nee hè. Ook bij judo werkt dat niet. Je moet heel veel bewegen om iemand te kunnen werpen of iemand in een houdgreep te krijgen. Meestal leer je een judoworp wel eerst uit stand. Maar daarna moet je de worp ook uit beweging kunnen maken. Het wordt dan wel iets moeilijker, want je moet dan alles precies op het goede moment doen. Na de gele band moet je ook op het examen steeds meer worpen in beweging laten zien. “Laat eens de Sasae-tsuri-komi-ashi in zowel migi als hidari in uchi-komi-vorm zien”. De wattè ???? Wat is dat voor een taaltje ????

Judo komt uit Japan. Dus alle worpen en houdgrepen hebben ook een Japanse naam. Gelukkig maar dat ze ook een nummer hebben. In het begin is dat veel makkelijker. Maar eigenlijk is de Japanse naam ook best leuk om te weten. Want de Japanse naam zegt meestal al voor hoe de worp of houdgreep moet.

Wat precies van jou verwacht wordt, hangt bijvoorbeeld ook af van hoe oud je bent en of je aan wedstrijden doet, want daardoor kan je ook het geleerde toepassen zonder dat de ander meewerkt.

Maar als je op tijd weet wat je moet kunnen en als je in de les alles goed geoefend hebt, dan kan op het examen haast niets meer misgaan. En ben je na het examen weer een stapje dichter in de richting van de zwarte band gekomen.

De judoleraar, waarbij je examen doet, kijkt naar heel veel dingen. Hij houdt bijvoorbeeld in de gaten hoe je op de mat staat (rechtop of voorover), hoe je beweegt, hoe je iemand vasthoudt, hoe je indraait bij een worp, hoe je iemand uit balans trekt of duwt, hoe je iemand werpt en of je hem of haar daarbij tot het eind toe netjes vasthoudt en daarbij zelf ook nog goed in balans blijft.

Niet de hoeveelheid verschillende worpen, houdgrepen en kanteltechnieken is het belangrijkste op het examen, maar wel hoe goed je de technieken allemaal kunt. En als een worp niet in 1 keer lukt dan doe je hem gewoon nog een keer en desnoods nog een keer, net zolang totdat de worp wel gelukt is.